Project Bushmaster

Het doel van dit project is om een nieuwe soort te kweken die bijna niet te herkennen is.

 
Zoals sommige van jullie weten schrijf ik vooral vaak over droomlocaties; dit zijn guerilla locaties die moeilijk ontdekt kunnen worden. Tijdens mijn voortdurende zoektocht naar deze guerilla locaties, kwam ik tot het inzicht dat een guerilla locatie eigenlijk overal moet kunnen zijn. Enkele jaren geleden hoorde ik een verhaal over een jongen die zijn hennep gewoon in de woonkamer had staan, zijn ouders kwamen op bezoek en zeiden: ‘Wat leuk, heb je eindelijk planten gekocht'. Deze ouders wisten niet hoe hennep er uit ziet en dachten dat het om normale kamerplanten ging. Dit project is ontstaan met de zelfde insteek; want waarom zou je hennepplanten verstoppen als niemand ze herkent?

Het doel van dit project is dus om een nieuwe soort te kweken die bijna niet te herkennen is. Mocht de nieuwe kruising slagen dan heb ik ook al een naam bedacht voor de soort; Bushmaster, omdat hij niet zal gaan opvallen tussen de bosjes. Bij het herkennen van hennep zijn twee karakteristieken erg belangrijk: de vorm van het blad en in mindere mate de geur. Vooral de eerste is erg belangrijk, het hennepblad is wereldberoemd en staat symbool voor cannabis en alle subculturen die daarmee te maken hebben. In minstens de helft van de nieuwsberichten over cannabis wordt een plaatje van het blad weergegeven.
En dus weten veel mensen hoe het blad er uit ziet zonder dat ze ooit een plant in het echt hebben gezien. De geur is ook heel karakteristiek, maar is niet herkenbaar voor iemand die het nog nooit geroken heeft. Zo werden er afgelopen jaar in Rotterdam nog brieven verspreid met de geur van cannabis, dit deed men in de hoop dat buurtbewoners hennepplantages in de buurt zouden herkennen en verraden. Om de ideale guerilla plant te kweken; de bushmaster, moet ik dus een plant hebben die er niet als hennep uit ziet en die niet als hennep ruikt. Om de kans op ontdekking te verkleinen lijkt het me handig als deze plant klein blijft en snel afbloeit. Een autoflowering plant dus.
Mijn zoektocht begint op het internet, een zoektocht naar hennep die er niet zo uit ziet. Na een langdurige zoektochtkom ben ik grofweg twee vormen tegen gekomen die voldoen aan dit criteria. De eerste is de ABC; of wel de Australian Bastard Cannabis. Dit is een gemuteerde cannabis plant die er uit ziet als een kruid achtig struikje, en beetje als rozemarijn. De bladeren hebben geen ‘vingers’ en zijn ovaal. Deze plant kan aan zijn bladeren niet herkend worden als cannabis.
Dit beloofd al een goede kandidaat te worden om mee te gaan kruisen. Deze plant is vermoedelijk ontstaan uit een colhicine experiment; wat er in het kort op neer komt dat door de zaden te besproeien met de(giftige) stof colhicine waardoor de celdeling van de plant op een andere manier verloopt. Hier door veranderd de groeiontwikkeling waardoor de plant allerlei afwijkingen gaat vertonen. Door twee van deze afwijkende planten te kruisen blijft deze eigenschap ook in niet besproeide planten bestaan. Deze gemanipuleerde plant wordt ook wel verspreid onder de naam Dizzy.
Deze naam geeft ook gelijk het grote nadeel van de plant aan; Veel mensen worden duizelig als ze deze cannabis roken en deze soort blijkt dan ook niet erg potent te zijn. Een ander nadeel van deze soort is dat deze niet met andere soorten gekruist kan worden omdat dan de groeiafwijking verdwijnt.
Gelukkig is er nog een ander type plant die ook redelijk onherkenbaar is; Dit zijn de ‘webbed’ soorten. In tegenstelling tot de normale hennep hebben de bladeren van deze soorten geen 7 of 5 vingers maar slechts 1 of 3. Daarnaast heeft deze plant de eigenschap dat de vingers aan elkaar groeien. Hierdoor lijken de bladeren op een zwemvlies, de bekendste webbed soort ontleed hieraan dan ook zijn naam: de Duckfoot. De origine van de webbed soorten ligt net als die van de ABC in Australië en Hawaii. Net als bij autoflowering is het webbed blad een karaktertrek die is vastgelegd in de genetica van de plant.
Omdat de ABC geen optie is om mee te gaan kruisen besluit ik het met de Duckfoot te gaan proberen. Mijn eerste stap in de richting van de Bushmaster: een kruising die zowel de autoflower als de webbed karaktertrekken heeft. Een dergelijke kruising is in theorie al erg moeilijk omdat beide karaktertrekken recessief zijn. Om uit te leggen hoe dit in zijn werk gaat hieronder een kleine les biologie.
Genen en dus karaktertrekken kunnen dominant of recessief zijn. Als we bijvoorbeeld een plant met dominante karaktertrekken een plant met recessieve karaktertrekken laten bevruchten (of andersom) dan vind er kruising tussen twee verschillende soorten plaats. De zaden die hier uit komen, de eerste generatie, ook wel F1 genoemd zal als plant alleen karaktertrekken van de dominante planten laten zien. Ook al draagt deze generatie wel de recessieve genen, de dominante genen zullen altijd op de voorgrond treden (vandaar de naam dominant).
Als we deze F1 generatie onderling kruisen (ja dit is incest!) dan ontstaat er een tweede generatie F2 genoemd. De planten die hieruit groeien zullen nog steeds vooral dominante eigenschappen laten zien, maar.. een kwart van de planten zal recessieve karaktertrekken tonen (vandaar de naam recessief: terugkerend).
Door alleen met planten door te kweken die recessieve karaktertrekken laten zien zijn er in de opvolgende generaties (F3, F4, etc) steeds minder dominante karaktertrekken te vinden. Een goede breeder gaat hier net zo lang mee door tot zijn nieuwe kruising stabiel is.
Dat wil zeggen dat er bijna geen verschillen meer te vinden zijn binnen de generatie en tussen de generaties onderling. Dit kweekproces duurt dan ook erg lang, meestal wordt een kruising pas na de F5, dus na 5 of meer kweken stabiel.
In afbeelding 2 zien we de kruising van een niet autoflower plant (AA) en een autoflower plant (aa). Waarbij de letter a staat voor de karaktertrek autoflower, deze wordt met een kleine letter geschreven omdat hij recessief is en dus nooit naar voren komt in combinatie met een dominante karaktertrek. In dit geval is de dominante karaktertrek non-autoflowering dit wordt aangeduid met de grote letter A.
Het resultaat van deze kruising zijn 4 planten die allemaal (Aa) als autoflower gen hebben. Omdat de A dominant is, vinden we in deze generatie (F1) geen enkele autoflowering plant. Maar toch dragen deze planten wel de recessieve genen bij zich. Als we een generatie verder gaan (F2) zien dat één op de vier planten aa en dus wel autoflower is. Net als bij veel erfelijke ziektes is de autoflower karakteristiek recessief en slaat dus als het ware een generatie over. Dit is ook de reden dat er bij erfelijke ziekten bij mensen niet alleen naar de ouders maar ook naar de grootouders wordt gekeken.
Nu het duidelijk is hoe een recessief gen werkt gaan we terug naar de eerste kruising van de Bushmaster. Naast de niet-autoflower (AA) en de autoflower (aa), introduceren we nu ook de niet-webbed (WW) en de webbed (ww) karakteristieken. Ook hier heeft het webbed gen kleine letters omdat het recessief is. We willen nu een autoflower plant (aa WW) gaan kruisen met een webbed plant (AA ww). Dit leid tot de F1 met de volgende kenmerken (Aa Ww). Omdat in de eerste generatie het dominante gen naar boven komt, is het op het eerste gezicht een normale plant, met normale bladeren en een normale bloei periode.
Omdat ik geen enkele genetica in huis heb ga ik het niet moeilijker maken dan het al is. Ik ga op zoek naar iemand al met deze kruising is bezig geweest. Ik kweek namelijk alleen voor de zaden, aan de planten zelf heb ik niets en dus sla ik het liefst zo veel mogelijk generaties over. Gelukkig vind ik in een Deense webshop een mooie kruising: Lowsnow X Ducksfoot, dus een kruising tussen de Lowsnow (autoflower) en de Duckfoot. Zoals ik hierboven heb uitgelegd zullen deze planten er uit zien als normale planten. Het verbaast me dan ook niet dat ik op internet reacties tegen kom als: “Het valt erg tegen dat deze plant geen webbed bladeren of autoflowering laat zien”.
Vanuit Denemarken laat ik de zaden per post over komen en de F1 is een feit. De volgende stap is het kruisen van deze F1 planten: Aa Ww X Aa Ww. Terwijl ik bezig ben met de voorbereidingen van het kweken van deze F2 vind ik op een internetforum een andere kweker (Nickname: Tilburg2009) die hiermee al in een ver gevorderd stadium is. Met deze kweker heb ik dan ook afgesproken dat ik enkele zaden zou overnemen zodra deze klaar zouden zijn. Dit is voor mij een groot voordeel, uit deze F2 kan ik namelijk al gelijk beginnen met het selectren van de planten met de juiste eigenschappen. En zo gezegd zo gedaan, 3 maanden later was de F2 al een feit: en dat zonder zelf één zaadje te hebben ontkiemt. Dit scheelt een hoop werk en tijd.
Toch heeft dit wel als nadeel dat ik zelf geen voorselectie heb kunnen maken. Het kan dus zijn dat ik zaden van slechtere planten heb omdat ik zelf niet heb kunnen kiezen. Veel breeders zullen dit dan ook afkeuren; het is namelijk erg belangrijk om goed te selecteren en je genetica te leren kennen.
Om te bepalen hoeveel planten ik moet laten groeien om de juiste planten te selecteren en te kruisen moet ik een kleine berekening maken. In afbeelding 3 is in een matrix(tabel) te zien welke uitkomsten mogelijk zijn als we twee F1’s met elkaar kruisen. De planten in het wit zijn de planten die geen enkele eigenschap zullen laten zien. De planten in het licht oranje laten de webbed of de autoflower karaktertrekken zien. De plant in het oranje is de plant waar we naar op zoek zijn, hij is zowel webbed als autoflower.
Uit deze matrix blijkt dat in theorie slechts één op de zestien planten de gewenste eigenschappen heeft. Om een plant over te houden moeten we dus minimaal 16 zaden onkiemen, dit is natuurlijk allemaal in de theorie. Voor de zekerheid zullen we er veel meer nodig hebben. Instabiele kruisingen hebben namelijk vaak een lager ontkiemingpercentage dan stabiele kruisingen dus ik moet er rekening mee houden dat een deel van de zaden niet eens ontkiemt. Daarnaast heb om verder te kunnen kweken heb ik tenminste één mannelijke en één vrouwlijke plant nodig. Voor het gemak besluit ik dus maar om minstens 100 zaden te ontkiemen. Hiervan zullen maximaal 6 geschikte planten over blijven.
Het selecteren van de juiste planten begint eigenlijk al bij het ontkiemen van de planten. De eerste zaden beginnen al na twee dagen te ontkiemen, de zaden die na 4 dagen nog niet ontkiemt zijn besluit ik weg te gooien. Voor veel kwekers klinkt dit pijnlijk; je gaat toch geen potentiële planten weggooien? Als breeder moet je zo niet denken, als breeder speel je de natuur na en in de natuur overleven alleen de sterkste. Om de beste plant te kweken is het dus juist essentieel om zoveel mogelijk slechte planten uit de kweek te halen. Om het beste resultaat te krijgen is het dus ook belangrijk om in grote aantallen te kweken, want hoe meer planten hoe groter de kans dat we echt bijzondere planten kunnen selecteren.
De ontkiemde zaden worden in kleine potjes gezet en na 3 weken besluit ik om de zwakste plantjes er maar uit te halen. Het kweken van een nieuwe kruising is vooral een selectieproces; om het sterkste nageslacht te krijgen moet je zoveel mogelijk de zwakke planten er tussen uit halen. Uiteindelijk blijven er van de 160 zaden maar 92 zaailingen over. Na ongeveer een maand laat een deel van de planten de karakteristieke webbed bladeren zien. Dit is de eerste keer dat ik dit soort bladeren in het echt zie en het oogt dan ook erg vreemd.
Eigenlijk kunnen we twee soorten webbed bladeren onderscheiden; de eerste is het ‘volle’ webbed blad, die er echt uit ziet als een soort van zwemvlies. In het blad zit zelfs een soort van bolling (de vliezen) waardoor het blad er heel onnatuurlijk uit ziet. De tweede is een soort tussenvorm tussen deze webbed en een normaal blad, opvallend hieraan is dat deze bladeren maar 3 vingers hebben, soms aan elkaar zijn gegroeid en soms los van elkaar zijn. Om de uitkomsten uit de rechterkolom van afbeelding 3 over te houden haal ik alle planten die geen enkele vorm van het webbed vertonen weg. De webbed planten pot ik over naar grote bakken zodat deze meer ruimte hebben om te groeien.
Na ongeveer anderhalve maand beginnen de planten al een stevige hennepgeur te verspreiden. Op dit moment maakt dat niet zoveel uit maar als ik ga verder kruisen moet ik echt op zoek gaan naar planten die minder aroma’s of minder karakteristieke aroma’s verspreiden. Dus of een plant die geen geur af geeft of een plant die een heel andere geur af geeft.
Het is eigenlijk wel interessant om te kijken uit welke planten deze kruising is ontstaan, mischien komen we wel planten tegen die bekend staan om de sterke geur. Als we de stamboom van afbeelding 4 bekijken komen we allerlei andere bekende soorten tegen zoals: Lowryder, Northern Light, White Widow en Hindu Kush.
Uiteindelijk stammen alle huidige soorten af van de landrassen die aan de top van de stamboom staan. Zoals je ziet komen de voorvaderen vanuit de hele wereld: India, Australie, Thailand, Brazilie, de Verenigde Staten en Afghanistan (Hindu Kush is een gebergte aldaar). Deze landrassen zijn soms eeuwen lang door de lokale bevolking in stand gehouden en zo aangepast aan hun omgeving. Pas sinds de jaren 60 en 70 werd er actief begonnen met het kruisen van verschillende landrassen waardoor er nog potentere soorten ontstonden.
Tegenwoordig wordt er nog maar zelden gebruik gemaakt van de landrassen, maar worden eigenlijk alleen kruisingen gebruikt. Alle cannabis hoofdsoorten zijn in de Bushmaster aanwezig: Sativa, Indica en Ruderalis. Deze ruderalis zorgt voor de autoflowering.
In het algemeen geven indica’s meer geur af, maar dit betekent niet dat er geen sativa soorten zijn die heel veel geur verspreiden. De Northern Light die we ook in de stamboom terug vinden staat er om bekend een minder sterke geur te verspreiden. Als ik de plant minder wil laten ruiken kan ik hem bijvoorbeeld met een Northern Light terugkruisen.
Dit is echter geen garantie dat de geur minder wordt. Daarnaast is het dan weer heel moeilijk om de nu aanwezige karaktertrekken te behouden. Het is dus slimmer om een autoflower soortje te vinden dat niet zo sterk ruikt of gewoon een andere geur heeft. Het maken van een plant die minder geur af geeft is waarschijnlijk nog moeilijker voor elkaar te krijgen dan de kruising waar ik nu mee bezig ben. Voordat ik me met de geur ga bezig houden moet ik eerst een stabiele kruising zien te maken met de webbed en autoflower genen.
Kijkend naar de webbed planten valt het me op dat de meeste een soort van terugval laten zien. Ze beginnen met volle webbed bladeren en bij iedere vertakking zie je de bladeren veranderen naar 3 vingerige of zelfs 5 vingerige bladeren. Er zijn in mijn kweek maar weinig planten die dit niet doen. De keuze is dan ook moeilijk of ik de planten met terugval moet weghalen, in het begin heb ik dit wel gedaan, omdat ik deze niet als echte webbed zag. Maar dan merk ik dat in andere kweekverslagen van webbed planten zoals bij de Duckfoot staat dat deze vaker terug vallen zodra de plant in de bloei schiet. Oeps, mischien toch iets over het hoofd gezien dus.
Dit betekent dat het oorspronkelijke idee van de Bushmaster niet gaat werken. Deze planten kunnen dus namelijk geen webbed bladeren laten zien en daarnaast vroeg afbloeien. Waarschijnlijk hebben de planten die meteen in de bloei zijn geschoten niet eens de volle webbed bladeren laten zien. Hierdoor voldeden de gezochte planten dus niet aan beide eigenschappen en liggen dus waarschijnlijk al enig tijd in de kliko. De groeifase van een autoflower is erg kort en dus zal de kruising die ik voor ogen had wel andere bladeren laten zien maar niet de karakteristieke webbed bladeren.
Hier uit blijkt maar weer dat het erg belangrijk is om je genetica te kennen. Dit doe je door zelf te kweken of door goed te kijken naar andere kweekverslagen. Uit deze kweek kunnen we ook concluderen dat karaktertrekken in de praktijk soms anders werken dan van te voren verwacht. Zo is er vaak geen harde grens tussen de recessieve en de dominante karaktertrekken.
De originele Lowryder, de moeder des autoflowers, bloeide in 60 dagen af. Maar zodra deze Lowryder werd gekruist met andere soorten werd de afbloei periode steeds langer. Je kunt dus zeggen dat de autoflowering karakteristiek langzaam afzwakte. Hierdoor ontstonden er verschillende gradaties van autoflowering. Overigens kan door terug te kruisen en goed te selecteren deze tijd wel weer worden terug gebracht.
De webbed karaktertrek heeft dus ook geen harde grens, we zien dat er een duidelijk verval is tussen het volle webbed blad en een tussenvorm er van. Sommige planten laten in het begin webbed bladeren zien en verliezen deze pas zodra ze in bloei schieten. Andere planten laten vanaf het begin alleen maar de tussenvorm zien.
Hoe het verder met de planten is afgelopen? Pas twee maanden na het ontkiemen lieten enkele planten hun geslacht zien, zoals gezegd hadden deze in de laatste vertakkingen echter geen webbed bladeren meer. De planten die nog wel de webbed bladeren hadden, gingen niet uit zichzelf in de bloei. Omdat het project niet meer tot het gewenste resultaat zou gaan leiden heb ik maar besloten om de stekker er uit te trekken. Zo verdwenen niet alleen de planten maar ook project bushmaster in de kliko. Of er ooit nog een soort bushmaster komt? Misschien dat er ooit nog een ander plan ontstaat. Tot die tijd liggen de F1 zaden uit Denemarken rustig te wachten in de hoop ooit ontkiemt te worden.
Voor vragen en ideeën kun je mailen naar: guerrilladaan@gmail.com

Recente berichten

Over Soft Secrets

Soft Secrets is internationaal de toonaangevende bron voor cannabisteelt, legalisatie, cultuur en entertainment. Ons doel is om mensen met dezelfde interesses te verbinden via relevante en actuele informatie zoals gezondheid, levensstijl en zakelijke kansen rondom de cannabiscultuur.

HEB JE HULP NODIG BIJ EEN DRUGSGERELATEERD PROBLEEM? NEEM ZO SNEL MOGELIJK CONTACT OP MET JE LOKALE HULPLIJN. IN GEVAL VAN ONMIDDELLIJKE LEVENSBEDREIGENDE OMSTANDIGHEDEN, BEL NU 112!

Reageer op dit bericht